Voor herberg de Romein legden ook de lijndienstboten naar Delft aan. Drie eeuwen heeft deze lijndienst bestaan. Eerst met zeilboten, daarna als trekschuit en vanaf 1864 als stoombootje. Naast de herberg bevond zich een houten bouwsel, het Schuiteveer, waar de schippers konden rusten. De boten voeren bij daglicht, om het uur. In Delft was aansluiting op de schepen naar Den Haag, Leiden, Amsterdam en Middelburg. Vanaf 1655 lag er een pad langs de Schie, geschikt voor paard en menner om de schuit te trekken. Op een oude foto is nog een trekschuit te zien die door een man en zijn honden getrokken wordt. De schuiten werden door particuliere schippers geëxploiteerd. Om beurten voeren ze af. Beurtschippers dus, door de Gemeente benoemd. Er waren er twintig, op elf schepen. De gemeenten stelden ook de reglementen op: schepen uit de richting van Delft hadden altijd voorang. De jongen op het paard moest ten minste acht jaar zijn. Passagiers onder de roef mochten er niet roken. Schippers waren aangesloten bij het Vrouwe Lichtmis gilde, hetzelfde gilde waar ook slepers en voerlieden bij aangesloten waren.

De route liep vanaf de Delftse Poort, net voor Stadsherberg De Romein naar de Overschiese koffiehuizen aan het Voorom. Daar ook moest het paard naar de andere oever van de Schie, want het jaagpad tussen Overschie en Delft liep, van Rotterdam uit gezien, links van de Schie. Vandaar naar de Rotterdamse Poort in Delft, tot voor hotel Bellevue. Duur van de tocht: een uur of twee. Prijs per kaartje in 1654: f 0,20. In 1730 f 0,25. Weinig geldontwaarding in die tijd. De Schie werd ook druk bevaren door vrachtschepen van en naar Den Haag. Deze legden aan het Haagse Veer aan, zo ongeveer waar onze tocht begint.